NT2 B1 – Spreekflashcards
32 spreekkaartjes in twee sets, met uitleg en examentips.
Nieuw: ga direct naar set 2 – om … te
Oefen hardop. Lees de situatie en geef hardop antwoord. Klik daarna op de kaart om de achterkant met uitleg, een voorbeeldantwoord en een examentip te zien.
Oefen ook met timer en microfoon
Deze oefenkaartjes zijn door Bogaers ontwikkeld. Het zijn geen officiële examenvragen. De voorbeeldantwoorden zijn voorbeelden, geen enige juiste antwoorden.
1Werk
Je bent ziek en kunt morgen niet werken. Bel je leidinggevende.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Zeg dat je ziek bent, wat dit betekent voor je werk en wanneer je weer contact opneemt.
Voorbeeldantwoord
Ik bel omdat ik ziek ben. Morgen kan ik niet werken. Ik laat morgen weten hoe het gaat.
Examentip
Begin met de reden en maak je boodschap concreet.
2Vervoer
Vraag op het station wanneer de trein naar Eindhoven vertrekt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Zeg welke trein je zoekt en stel een duidelijke vraag.
Voorbeeldantwoord
Pardon, hoe laat vertrekt de volgende trein naar Eindhoven? En vanaf welk spoor?
Examentip
Stel een beleefde vraag.
3Gezondheid
Je wilt een afspraak bij de huisarts maken. Wat zeg je?
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Vertel wat je nodig hebt en wanneer je kunt komen.
Voorbeeldantwoord
Goedemorgen, ik wil graag een afspraak maken. Ik heb al drie dagen hoofdpijn. Kan ik morgen komen?
Examentip
Gebruik hele zinnen en spreek rustig.
4Studie
Vertel waarom je Nederlands wilt leren. Geef twee redenen.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem je doel en licht twee redenen toe.
Voorbeeldantwoord
Ik wil beter Nederlands spreken, omdat ik een opleiding wil volgen. Ook wil ik makkelijker met collega’s praten.
Examentip
Gebruik ‘omdat’ en ‘ook’.
5Werk
Een collega vraagt of je zaterdag kunt werken. Dat kan niet.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Leg uit waarom je niet kunt en geef eventueel een alternatief.
Voorbeeldantwoord
Zaterdag kan ik helaas niet, omdat ik al een afspraak heb. Zondag kan ik wel helpen.
Examentip
Wees beleefd en zeg wat wél mogelijk is.
6Wonen
De verwarming in je huis werkt niet. Bel de verhuurder.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Leg het probleem, het gevolg en je verzoek uit.
Voorbeeldantwoord
Mijn verwarming doet het niet. Het is erg koud in huis. Kunt u vandaag iemand sturen?
Examentip
Noem probleem, gevolg en gewenste oplossing.
7Dagelijks
Je hebt een verkeerde bestelling gekregen in een restaurant.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Vertel wat niet klopt en vraag om een oplossing.
Voorbeeldantwoord
Excuseer, ik had een vegetarische maaltijd besteld, maar dit is met vlees. Kunt u dit vervangen?
Examentip
Houd je toon vriendelijk en duidelijk.
8Studie
Vraag een docent om extra uitleg over het huiswerk.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Zeg wat je niet begrijpt en vraag om hulp.
Voorbeeldantwoord
Ik begrijp opdracht drie nog niet. Kunt u een voorbeeld geven? Dan kan ik thuis verder oefenen.
Examentip
Vraag specifiek naar wat je nodig hebt.
9Werk
Vertel welk werk je het liefst doet en waarom.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Geef een mening en twee argumenten.
Voorbeeldantwoord
Ik werk graag met mensen. Dat vind ik interessant, omdat elke dag anders is. Bovendien leer ik veel.
Examentip
Gebruik ‘omdat’ en ‘bovendien’.
10Vervoer
Vergelijk reizen met de fiets en met de bus.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Beschrijf voordelen van beide en maak een keuze.
Voorbeeldantwoord
De fiets is goedkoop en gezond. De bus is fijn als het regent. Toch kies ik meestal de fiets.
Examentip
Gebruik ‘maar’ en ’toch’.
11Gezondheid
Geef een vriend twee tips om gezonder te leven.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem twee adviezen en leg uit waarom ze helpen.
Voorbeeldantwoord
Je kunt vaker wandelen, want dat is goed voor je conditie. Probeer ook genoeg te slapen.
Examentip
Gebruik ‘je kunt’ en ‘probeer’.
12Wonen
Vertel over jouw ideale buurt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Beschrijf de buurt en geef twee redenen voor je keuze.
Voorbeeldantwoord
Ik woon het liefst in een rustige buurt met winkels dichtbij. Dat vind ik prettig, omdat ik veel fiets.
Examentip
Maak je beschrijving concreet.
13Studie
Je wilt volgend jaar een opleiding volgen. Vertel je plan.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Zeg welke opleiding, waarom en hoe je je voorbereidt.
Voorbeeldantwoord
Ik wil volgend jaar een mbo-opleiding techniek doen, omdat ik graag praktisch werk. Daarom oefen ik nu Nederlands.
Examentip
Gebruik ‘omdat’ en ‘daarom’.
14Dagelijks
Een buurman maakt vaak lawaai. Vertel hoe je dit oplost.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem het probleem en stel een vriendelijke oplossing voor.
Voorbeeldantwoord
Mijn buurman draait ’s avonds harde muziek. Ik wil rustig met hem praten en vragen of het zachter kan.
Examentip
Beschrijf ook een oplossing.
15Werk
Je vindt thuiswerken prettig. Leg uit waarom en noem een nadeel.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Geef je mening met een voordeel en een nadeel.
Voorbeeldantwoord
Ik werk graag thuis, omdat ik me goed kan concentreren. Een nadeel is dat ik mijn collega’s minder zie.
Examentip
Laat twee kanten horen.
16Dagelijks
Stel een uitje voor aan je klasgenoten en leg uit waarom.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Doe een voorstel, geef redenen en nodig anderen uit te reageren.
Voorbeeldantwoord
Ik stel voor om samen naar een museum te gaan. Dat is leerzaam en gezellig. Wat vinden jullie?
Examentip
Sluit af met een vraag.
Set 2 – 16 nieuwe spreekflashcards: om … te
Kaarten 17–32. Spreek eerst zelf en open daarna de achterkant.
Met om … te + het hele werkwoord geef je een doel aan: Ik oefen om het examen te halen. De persoon die oefent, wil ook het examen halen. Met omdat geef je een reden: Ik oefen omdat ik morgen examen heb. Bij een ander onderwerp gebruik je vaak zodat: Ik spreek langzaam zodat jij mij begrijpt.
Je hoeft deze constructie niet in elk antwoord te gebruiken. De voorbeelden zijn mogelijkheden; andere goede antwoorden zijn ook mogelijk.
17Werk
Je wilt een cursus volgen. Vraag je leidinggevende om tijd hiervoor.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Vertel welke cursus je wilt volgen en wat je doel is.
Voorbeeldantwoord
Ik wil graag een cursus Nederlands volgen om beter met klanten te communiceren. Kan ik op dinsdag een uur eerder stoppen?
Examentip en grammatica
Met om … te vertel je het doel van de cursus.
18Gezondheid
Je wilt fitter worden. Vertel wat je gaat doen en waarom.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem een concrete activiteit en het doel.
Voorbeeldantwoord
Ik ga drie keer per week wandelen om mijn conditie te verbeteren.
Examentip en grammatica
Dezelfde persoon gaat wandelen en wil zijn conditie verbeteren.
19Studie
Je hebt binnenkort een examen. Leg uit hoe je je voorbereidt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem twee manieren om te oefenen.
Voorbeeldantwoord
Ik oefen met flashcards om vlotter te spreken. Ook neem ik mijn antwoorden op om mijn uitspraak te controleren.
Examentip en grammatica
Na te staat het hele werkwoord: spreken, controleren.
20Wonen
Je wilt verhuizen. Vertel wat voor woning je zoekt en met welk doel.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Beschrijf je woonwens en leg het doel uit.
Voorbeeldantwoord
Ik zoek een woning dichter bij mijn werk om minder tijd aan reizen te besteden.
Examentip en grammatica
Zeg eerst wat je doet en daarna waarvoor.
21Dagelijks
Je wilt geld sparen. Vertel je plan.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Vertel hoe je spaart en waarvoor.
Voorbeeldantwoord
Ik kook vaker thuis om geld te besparen. Ik spaar om volgend jaar op vakantie te gaan.
Examentip en grammatica
Bij een scheidbaar werkwoord staat te ertussen: op vakantie te gaan.
22Vervoer
Je hebt een belangrijke afspraak. Vertel waarom je eerder vertrekt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem je vertrekplan en je doel.
Voorbeeldantwoord
Ik neem een trein eerder om op tijd bij mijn afspraak te zijn.
Examentip en grammatica
Om op tijd te zijn is een doel; omdat de trein vaak vertraging heeft is een reden.
23Werk
Je begrijpt een taak niet. Vraag een collega om hulp.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Stel een beleefde vraag en vertel waarvoor je de uitleg nodig hebt.
Voorbeeldantwoord
Kun je mij deze taak nog eens uitleggen? Ik wil graag een voorbeeld zien om fouten te voorkomen.
Examentip en grammatica
Na wil gebruik je geen te: ik wil zien. In de doelzin wel: om fouten te voorkomen.
24Studie
Je gaat naar de bibliotheek. Vertel waarvoor.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem twee doelen van je bezoek.
Voorbeeldantwoord
Ik ga naar de bibliotheek om een boek te lenen en rustig te studeren.
Examentip en grammatica
Je mag om delen bij twee doelen: om … te lenen en … te studeren.
25Gezondheid
Je wilt minder stress. Geef jezelf twee praktische adviezen.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem activiteiten en leg hun doel uit.
Voorbeeldantwoord
Ik zet mijn telefoon uit om tot rust te komen. Ook plan ik pauzes om me beter te kunnen concentreren.
Examentip en grammatica
Bij kunnen in een doelzin: om me te kunnen concentreren.
26Contact
Je wilt je buren leren kennen. Doe een voorstel.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Stel een activiteit voor en vertel het doel.
Voorbeeldantwoord
Zullen we zaterdag samen koffie drinken? Dat lijkt me een leuke manier om elkaar beter te leren kennen.
Examentip en grammatica
Een manier om … te … vertelt waarvoor de manier geschikt is.
27Werk
Je solliciteert naar een baan. Vertel hoe je je voorbereidt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem twee voorbereidingen met hun doel.
Voorbeeldantwoord
Ik lees de website om meer over het bedrijf te weten te komen. Ik oefen het gesprek om zelfverzekerder te antwoorden.
Examentip en grammatica
Spreek rustig; een langer antwoord hoeft niet ingewikkeld te zijn.
28Digitaal
Je volgt online les. Vertel hoe je je voorbereidt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem een technische controle en het doel.
Voorbeeldantwoord
Ik test mijn microfoon om goed verstaanbaar te zijn. Daarna sluit ik andere programma’s om afleiding te voorkomen.
Examentip en grammatica
Gebruik concrete doelen die bij de handeling passen.
29Dagelijks
Je organiseert een etentje. Vertel wat je vooraf regelt.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Noem twee voorbereidingen en hun doel.
Voorbeeldantwoord
Ik stuur een bericht om te vragen wie er komt. Daarna maak ik een lijst om niets te vergeten.
Examentip en grammatica
Na om kan te direct volgen: om te vragen.
30Studie
Een klasgenoot zegt: ‘Ik oefen om ik wil slagen.’ Help de zin verbeteren.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Geef een correcte doelzin en een correcte zin met omdat.
Voorbeeldantwoord
Je kunt zeggen: Ik oefen om te slagen. Of: Ik oefen omdat ik wil slagen.
Examentip en grammatica
Na omdat volgt een bijzin met een onderwerp; bij om … te gebruik je hier geen ik.
31Werk
Je collega moet iets begrijpen. Leg uit waarom je een voorbeeld geeft.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Maak een zin waarin jouw collega het doel moet bereiken.
Voorbeeldantwoord
Ik geef een voorbeeld zodat mijn collega de opdracht beter begrijpt.
Examentip en grammatica
Bij een ander onderwerp is zodat vaak nodig: ik geef, mijn collega begrijpt.
32Vrije tijd
Je wilt een sportclub kiezen. Vergelijk twee mogelijkheden en geef je doel.
Klik voor de achterkant met uitleg en tips
Wat moet je doen?
Vergelijk, kies en leg uit wat je wilt bereiken.
Voorbeeldantwoord
Zwemmen is goed voor mijn conditie, maar bij een teamsport ontmoet ik meer mensen. Ik kies volleybal om nieuwe mensen te leren kennen.
Examentip en grammatica
Je hoeft om … te niet in elke zin te gebruiken. Kies het als je een doel uitdrukt.