Frans A2 – Grammatica oefenen
Oefen de futur proche en vragende voornaamwoorden en vraagwoorden. Directe correctie, duidelijke uitleg en een eindscore. Geen account nodig.
1. Futur proche
Je gebruikt aller in de tegenwoordige tijd + infinitief om te vertellen wat je binnenkort gaat doen.
Je vais travailler. Tu vas partir. Elle va étudier. Nous allons manger. Vous allez voyager. Ils vont arriver.
Ontkenning: Je ne vais pas sortir.
2. Vragende woorden
Qui ? wie · Que / qu’est-ce que ? wat · Quoi ? wat (na een voorzetsel) · Quel, quelle, quels, quelles ? welke/wat voor.
Qui arrive ? Quelle heure est-il ? Quels films préfères-tu ? À quoi penses-tu ?
Let op: quel, quelle, quels en quelles zijn vragende bijvoeglijke naamwoorden wanneer ze vóór een zelfstandig naamwoord staan.
3. Interactieve oefeningen
Kies een oefenronde:
Herhaal de vragen die lastig waren, of oefen het andere onderwerp.